Rampen 2 – Een straf van God

In het verleden zagen mensen de hand van God in belangrijke gebeurtenissen. Het bovennatuurlijke was te zien in het natuurlijke. Het morele gedrag van het vorstenhuis of zelfs het hele volk was bepalend voor de welvaart van het land. Tijdens nationale rampen als overstromingen, branden en epidemieën verkondigden protestantse geestelijken vanaf de kansel dat God het land had gestraft. Als men niet tot inkeer kwam, ging het alleen maar bergafwaarts. Vaak werd een zondebok aangewezen. 

RP-P-1896-A-19368-1507
Grote brand van Londen, 1666, Jan Luyken, 1698. Rijksmuseum.

Vragen en opdrachten

1. In 1741 werd in Amsterdam het boek Een historiesche beschryving van duure tyden en hongersnoden uitgegeven, een lange opsomming van rampen die Europa door de eeuwen heen hadden geteisterd.

a. Lees de voorrede op pagina 4 tot en met 12. De tekst vind je hier. Leg uit waarom het volgens de auteur belangrijk is om te lezen over rampen. Waarom heeft hij gekozen voor een heruitgave?
b. Leg uit waarom de auteur volgens de tekst ervoor gekozen heeft om anoniem te blijven.
c. Op pagina 8 verwijst de auteur naar een rampzalige gebeurtenis in de jaren 1739 en 1740, “een tyd, dat ons lieve Vaderland wederom onder de kastydende roede Gods, zugt”. Noteer waarnaar de auteur verwijst.
d. Lees op pagina 56-58 over de hongersnood van het jaar 852. Beschrijf op welke manier God in dit fragment wordt afgebeeld.

2. Ongewone hemellichamen zoals eclipsen en kometen werden met argwaan bekeken. Kometen zouden een bovennatuurlijke boodschap aankondigen dat Nederland opnieuw een crisis stond te wachten. Aan het einde van de zeventiende eeuw kwam dit geloof onder druk te staan.   

a. Bekijk het volgende pamflet, getiteld Boere praetje tusschen Leen, Kees en Jaep, over den tegenwoordigen toestand van zaeken uit 1742. De tekst vind je hier. Leg uit op welke manier de actualiteit wordt besproken.
b. Lees pagina 26 tot en met 30, waarin wordt gesproken over een komeet die onlangs aan de hemel werd gezien. Beschrijf wat Kees, Leen en de Turken van de komeet vinden. De tekst vind je hier op één pagina.
c. De tekst schetst een contrast tussen plattelandsbewoners en stedelingen. Leg dit uit. Wie van beiden komt het beste naar voren? Motiveer je antwoord.

3. Vergelijk de twee teksten uit vraag 1 en 2. Beargumenteer dat de twee anonieme auteurs een tegengestelde mening uitdragen. 

4. In september 1666 had Londen te kampen met een enorme brand, die het merendeel van de stad in de as legde. In dat jaar was Nederland in oorlog met Groot-Brittannië. Twee weken eerder had Nederland een grote nederlaag geleden, nadat de Engelse schout-bij-nacht Robert Holmes (1622-1692) het dorpje West-Terschelling volledig platbrandde. De Amsterdamse dichter Jan Vos (ca. 1610-1667) schreef een gedicht over de brand van Londen.

a. Lees het gedicht van Vos. De tekst vind je hier. Wie geeft koning Karel II (1630-1685) de schuld van de ramp? Beschrijf hoe Karel wordt gepresenteerd.
b. Leg uit wat volgens ‘de Vreê’, de personificatie van de vrede, de directe aanleiding is geweest van de brand.
c. Het gedicht eindigt met de uitspraak “De schaâ is kleen die vreê kan baaren.” Leg uit wat hiermee wordt bedoeld.
d. Beargumenteer dat dit gedicht te lezen is als een politiek pamflet.